Een object ziet er veel echter uit als u er een textuur aan geeft. Texturen bestaan uit textuurcomponenten, ook wel “shaders” genaamd. Er zijn vier types textuurcomponenten: kleur, reflectie, transparantie en reliëf. Elk van deze componenten kan gedetailleerd worden ingesteld via een afzonderlijk bewerkingsvenster en voegt een specifiek aspect toe aan de textuur. Bij het creëren of bewerken van texturen moet u dus rekening houden met het effect dat elke component afzonderlijk heeft op het eindresultaat.
Uw tekeningen en modellen zien er nog realistischer uit als u er een achtergrond aan toekent. Een achtergrond kan bestaan uit een kleur, twee kleuren, wolken, een geïmporteerde afbeelding of een geïmporteerd HDRI-bestand. Om het plaatje helemaal compleet te maken, kunt u bovendien nog lichtbundels toevoegen. U kunt texturen ook koppelen aan vlakarceringen om een monochrome rendering met verborgen achterliggende lijnen na te bootsen. Zie Renderen met vlakarceringen.
Een textuur wordt gedefinieerd door vier textuurcomponenten. Door bepaalde componenten te combineren of aan te passen kunt met de textuur een afbeelding voorstellen, of de indruk wekken van een gekleurd, oneffen, glanzend en/of transparant oppervlak. In onderstaande tabel vindt u de omschrijving van de verschillende textuurcomponenten:
|
Textuurcomponent |
Open |
|
Kleur |
Hiermee definieert u de kleur van het oppervlak; dat kan een enkele, egale kleur zijn of een complex patroon zoals hout, gras of marmer. |
|
Reflectie |
Hiermee definieert u de hoeveelheid licht die het oppervlak van een object reflecteert; het resultaat is afhankelijk van de toegekende textuur en eventuele lichtinval. |
|
Transparantie |
Hiermee definieert u de transparantie of dekking van het oppervlak. |
|
Reliëf |
Hiermee simuleert u oneffenheden en rimpels op het oppervlak van een object. |
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~