Om een textuurhulpbron te creëren:
Klik onderaan links in het Hulpbronnenbeheer op de knop Nieuwe hulpbron, selecteer de optie ‘Renderworkstextuur’ en klik op Creëer. Of: kies 'Renderworkstexturen' als filteroptie in het Hulpbronnenbeheer en klik vervolgens op de knop Nieuwe Renderworkstextuur.
Het dialoogvenster ‘Textuur’ wordt geopend. Definieer de textuurcomponenten. Meer informatie over de verschillende textuurcomponenten en hun eigenschappen vindt u in Renderworks textuurcomponenten.
◙ Klik hier om de velden te tonen/te verbergen.
De textuur wordt bij het bestand bewaard en in het Hulpbronnenbeheer getoond (in het voorvertoningsvak van het Hulpbronnenbeheer wordt de basisvorm (3D-vlak) dubbel zo groot weergegeven zodat de textuur beter zichtbaar is).
Voor textuurcomponenten op basis van een afbeelding kunt u de reële grootte van één herhaling van de textuur afleiden van een deel van de afbeelding.
Om de grootte van een afbeeldingstextuur te bepalen op basis van de afbeelding:
Selecteer de afbeelding die u voor de textuur wilt gebruiken, zoals beschreven in Texturen creëren op basis van afbeeldingen.
Klik op de knop Bepaal op afbeelding in het dialoogvenster 'Textuur'. Als u meerdere textuurcomponenten op basis van een afbeelding gebruikt, wordt het dialoogvenster ‘Selecteer afbeelding’ geopend. Duid hier aan welke afbeelding u wilt gebruiken en klik op OK.
Het dialoogvenster ‘Bepaal op afbeelding’ wordt geopend. Let op het rode kader dat enkele malen in de afbeelding oplicht om u de referentielijn te vinden.
Gebruik dit lijnsegment om een lengte in de afbeelding aan te geven die u wilt gebruiken om de grootte van de textuur te bepalen. Sleep het lijnsegment naar de gewenste locatie en versleep de uiteinden om de referentielijn langer te maken. Beweeg eventueel het muiswiel om in of uit te zoomen of houd het muiswiel ingedrukt om het aanzicht te herpositioneren.
Wanneer de referentielijn de gewenste reële lengte voorstelt, geeft u het veld Lengte referentielijn de reële lengte van de referentielijn op.
Om het renderingsproces te versnellen, kunt u de indirecte belichting voor individuele texturen overschrijven (zie Indirecte belichting).
Om de indirecte belichting voor een textuur te vervangen:
Klik op de knop Indirecte belichting in het dialoogvenster 'Textuur'. Het dialoogvenster ‘Indirecte belichting’ wordt geopend. Duid aan of en in welk mate een verschillende indirecte belichting op de textuur van toepassing is.
◙ Klik hier om de velden te tonen /te verbergen.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~