2D-componenten creëren voor symboolomschrijvingen en parametrische objecten

Symbolen en sommige parametrische objecten kunt u in zichtvensters met rendering ‘Achterliggende lijnen verbergen’ weergeven aan de hand van 2D-componenten, die het ontwerp leesbaarder maken. Zie Concept: 2D-componenten voor symboolomschrijvingen en parametrische objecten. Hiervoor dient u de optie Toon 2D-componenten in te schakelen; dit kan tijdens het creëren van de zichtvensters of nadien in het Infopalet van elk zichtvenster. Indien de optie is uitgeschakeld, worden alleen 3D-componenten weergegeven.

Sommige symboolomschrijvingen hebben reeds 2D-componenten; voor de symboolomschrijvingen waarvoor dit niet het geval is, kunt u zelf 2D-componenten creëren. Ook parametrische objecten kunnen reeds op voorhand enkele 2D-componenten bezitten; afhankelijk van het object kan de gebruiker de bestaande componenten bewerken of er nieuwe toevoegen.

In sommige gevallen, zoals voor maatlijnen, is het niet aangeraden om het parametrisch object aan te passen omdat dit de functionaliteit ontregelt. Plantobjecten hebben een eigen workflow voor plantstijlen en maken geen gebruik van deze procedure.

Het creëren en bewerken van 2D-componenten is mogelijk voor symboolomschrijvingen en objectstijlen, of voor individuele parametrische objecten in de tekening.

Om 2D-componenten te creëren voor een symboolomschrijving of parametrisch object:

  1. Als u 2D-componenten wilt creëren voor een objectstijl of parametrisch object, klikt u met rechts op de hulpbron of het object. Selecteer dan Instellingen 2D-componenten in het contextmenu. Als u 2D-componenten wilt creëren voor een symboolomschrijving, ga dan verder naar stap 4.

  2. Het dialoogvenster ‘Instellingen 2D-componenten van objectstijl’ of ‘Instellingen 2D-componenten van object’ wordt geopend.

  3. Als u componenten creëert voor de objectstijl, beslis dan of de parameters worden bepaald Volgens stijl of Volgens invoeging (zie Concept: Objectstijlen voor parametrische objecten). Als u componenten creëert voor een parametrisch object, kijk dan de Volgens stijl/invoeging-instellingen na om te controleren of u inderdaad componenten kunt creëren voor dit object. Voor wijzigingen moet u echter naar het dialoogvenster ‘Instellingen 2D-componenten van objectstijl’ gaan.

  4. Klik op OK.

  5. Volg een van onderstaande werkwijzen:

  6.         Om een symboolomschrijving of objectstijl te bewerken, gaat u naar het Hulpbronnenbeheer en klikt u met rechts op de gewenste hulpbron. Selecteer dan het commando Bewerk 2D-componenten in het contextmenu.

            Om een parametrisch object in de tekening te bewerken, klikt u met rechts op het object. Selecteer dan het commando Bewerk 2D-componenten in het contextmenu.

    U kunt ook met rechts klikken op een symbool in de tekening; hiermee bewerkt u echter de symboolomschrijving. Een individueel symbool kan niet worden bewerkt.

    De De objectbewerkmodus voor het object wordt ingeschakeld en het werkvlak wordt op ‘Schermvlak’ ingesteld.

    Wanneer u de componenten van symboolomschrijvingen en parametrische objecten bewerkt, kunt u gebruik maken van een bijkomend pallet, genaamd ‘Bewerk componenten’, en van extra parameters in het Infopalet.

    2D_ComponentEditPalette.png 

  7. Selecteer een component in de keuzelijst Bewerk van het pallet ‘Componenten bewerken’.

  8. Wanneer een object bestaat uit twee helften die elkaars spiegelbeeld zijn, zoals de linker- en rechterzijde van een toilet, is het niet nodig om een 2D-component te creëren voor beide aanzichten. Vink de optie Spiegel 2D-componenten naar tegenovergestelde weergave aan in het dialoogvenster ‘Creëer symbool’ of ‘Symboolinstellingen’ (voor symboolomschrijvingen; zie Symbooldefinities creëren) of in het dialoogvenster ‘Instellingen 2D-componenten van objectstijl’ of ‘Instellingen 2D-componenten van object’ (voor objectstijlen of parametrische objecten; zie stap 2).

  9. Selecteer een aanzicht voor Toon andere en een detailleringsgraad voor Toon details om u te helpen bij het tekenen.

  10. Selecteer het commando 2D-component van 3D-weergave afleiden in het contextmenu. Kies in het dialoogvenster ‘2D-component van 3D-weergave afleiden’ de gewenste lijnrendering voor de 2D-component.

  11. De 2D-component voor het geselecteerde aanzicht wordt gecreëerd als een groep en meteen correct uitgelijnd op de andere componenten. U kunt de groep bewerken of de component degroeperen om de elementen afzonderlijk te bewerken.

    U kunt de 2D-component ook creëren door individuele lijnen en vormen op het schermvlak te tekenen met behulp van de gereedschappen en commando in Vectorworks. Let erop dat u de 2D-componenten correct uitlijnt op de 3D-componenten en de componenten van andere aanzichten. Dit is belangrijk voor een correcte weergave in zichtvensters.

  12. Maak de nodige aanpassingen. Naast de algemene functies voor objectbewerking, die beschikbaar zijn voor eender welk object in Vectorworks, is het ook mogelijk om een component te verplaatsen of weer te geven met verschillende graden van detaillering naargelang de behoefte van uw presentatie.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Workflow: 2D-componenten van symbolen en parametrische objecten gebruiken in zichtvensters

2D-componenten van symboolomschrijvingen en parametrische objecten verplaatsen

Detailleringsgraden instellen voor 2D- en 3D-componenten van symboolomschrijvingen en parametrische objecten

2D- en 3D-componenten van een symboolomschrijving samen weergeven in een zichtvenster